Flitsapparatuur

Helaas zijn de omstandigheden waaronder we willen fotograferen
niet altijd even ideaal voor het door door ons
gebruikte materiaal. Normaliter maken we gebruik van daglicht
en iets dat lichtgevoelig (film of sensor) is gemaakt.
We spreken dan van
met een "normale" gevoeligheid.

Ogen
Een vergelijking maken met onze ogen is lastig te maken, omdat er
daarin meerder processen tegelijk spelen maar
het laat zich met digitale fotografie
in het achterhoofd redelijk voorstellen. Mijn
excuxes voor het wellicht verwarrende taalgebruik, maar
lees even mee en stel u voor wat ik bedoel.
Onze ogen werken net zoals ik hier dus al eerder beschreef met lichtgevoelige
cellen. Deze zien in diverse mate licht en - gedeeltelijk -
de samenstelling daar weer van. (Zie bij licht voor frequenties en dergelijke)
Zij het dat deze samenstelling (het scheidend vermogen) steeds meer
vervaagt tot grijs.
(lees: dat we minder kleuren zien als het schemert)
Vergelijk dit even met een versterker, die kunnen we
"harder zetten" tot een comfortabel volume.
Dat doet een digitale camera precies zo en wij kunnen dat
door
ons te concentreren ook min of meer. Wij kunnen
hierdoor namelijk bij weinig licht toch nog wel 'iets' waarnemen
!
Door  het beschikbare licht zo in ons hoofd te 'versterken'
kunnen we nog iets 'zien'.
Hieraan analoog komt de term 'ruis' dus om de hoek.
 
Om tot een juiste belichting te komen is er echter vaak
licht tekort. Bijvoorbeeld naarmate de dag vordert
naar de avond.
Of omdat het onderwerp in het donker staat, of
omdat het omgevings- of restlicht tekort schiet.
We zullen dan dus extra licht moeten meebrengen om tot een
optimale belichting te komen en het bekendste gereedschap is hierbij
de flitser. (schijwerpers doen het ook redelijk, maar
die zijn meestal niet zo compact)

Historie

Magnesium (Mg) is een metaal dat bij verbranding een helwit
licht blijkt te geven. In de begintijd van de fotografie werd vijlsel
of schaafsel van dit metaal met een buskruit achtige substantie
ontstoken om de fotograaf bij te lichten.
Overigens kwam het vanwege deze manier van ontsteking nogal aan
op de "juiste dosering" en het droeg dit in grote mate bij
aan het "artistieke" gehalte van de foto.
Het resultaat was namelijk verre van voorspelbaar en soms volgde er
een enorme explosie. Het onderwerp kwam dan minimaal zeer verschrikt,
maar ook weleens volledig onder het roet op de foto.
In fimpjes uit de dertiger jaren leverde deze manier van foto's maken
aanleiding tot vele grappen.


Een tijdlang is er een oplossing gezocht in de zogenaamde
flits lampverlichting, hierbij werd een kringel magensiumdraad
in een glazen huisje electronisch tot ontbrading gebracht.
Ook deze oplossing (En... de diverse verbeteringen die erop mochten volgen)
was echter niet ideaal en zeker niet ongevaarlijk door
de hitte die er in de "flitslampjes" ontwikkeld werd.
Nu wordt er daarom geen gebruik meer gemaakt van dit materiaal
en de ontstekingsmethode.
(De belichtingstijd "Bulb" komt hier overigens vandaan.
Door het intense licht kon namelijk het diafragma geheel gesloten worden
en werd de sluiter voor langere tijd "open" gezet.
De explosie met haar intense licht zorgden dan voor een juiste belichting,
waarbij dus het ruimschoots gebruik maken van (meer dan)
voldoende Magnesium aantrekkelijk was) 
Tegenwoordig helpt de electronica ons bij de oplossing van het verlichting probleem.

Electronen flitser

De eisen die er aan een hulp lichtbron zoals een flitser gesteld worden zijn:

In een flitser moet een voldoende hoeveelheid licht opgebracht worden om het onderwerp just belicht en volledig uitgelicht op de film te krijgen.
We gebruiken zoveel mogelijk de omstandisheden zoals die gelden voor daglicht(film), dus moet de samenstelling van het flitslicht overeen komen met deze lichtkleur. We hebben het over 5600'Kelvin.

Verder willen we de belichtingstijd niet extreem hoeven te verlengen, dus een zo normaal mogelijke tijd ten opzichte van ons onderwerp is een extra eis. Vooral van belang bij gebruik van "langere" objectieven ivm bewegings onscherpte.

Die oude flitslampjes waren dan wel gevaarlijk, ze gaven wl een heleboel licht.

Aan al de bovenstaande eisen is eenvoudig te voldoen
als we gebruik maken van de moderne techniek!
Het blijkt namelijk mogelijk om een, op zich, lage spanning
om te vormen tot de hoogspanning die nodig is om met een gasontladingbuis
in een korte tijd een flinke hoeveelheid licht op te wekken. 
En......... batterijen zijn vrijwel overal te koop dus
aan die lage spanning is probleemloos te komen.
Voordelen van deze techniek vinden we vooral terug
in het meermalig bruikbaar zijn van het flitslampje (xenon buisje),
de relatieve compacthied van de apparatuur,
de gestabiliseerde en regelbare lichtopbrengst. 
Dit dus allemaal naast het verminderde gevaar op explosies en hitte.

In een electronenflitser wordt in een zeer korte tijd
(1/25000 tot 1/5000 seconde) een enorme hoeveelheid licht opgebracht.
Dat hierbij een zeer hoge spanning vereist is spreekt vanzelf.
Deze hoge spanning wordt opgeslagen in een condensator
en hiermee kan op het vereiste moment de xenonlamp ontstoken worden.
Zo'n lampje bestaat uit een met het edelgas xenon gevulde
glazen buis met aan elk uiteinde een electrode. 
Aan deze electroden is de hoogspanning vastgemaakt. 
Door bij een van die polen, met een ontsteek "hulp" elektrode,
het gas in de buis te ioneseren
(de elektrische spanning wordt dan zodanig hoog opgeslingerd dat het gas licht gaat geven),
zal het xenon gas in de gehele buis oplichten. Als door
het aldus geleidens geworden gas
de in de elco opgeslagen spanning zich kan ontladen.
Sapnning wordt omgezet in licht!

Nu is het zaak om de spanning zo lang als nodig is
hoog genoeg te houden om het lampje aan te laten!
Maatgevend voor de hoeveelheid opgebracht licht is uiteindelijk
de hoeveelheid gas die op kan lichten (dus de inhoud van de flistbuis),
de duur van het ioniseren van het xenon gas en
de spanning die aanwezig is in de condensators (dus de capaciteit hiervan).

Leuke bijkomstigheid in deze is dat de stroom tussen
de condensator en het lampje electronies geregeld kan worden
door een hulpschakeling. Deze schakeling werd al gauw een computer genoemd,
maar dat is eigenlijk wat overdreven. 
Wel kreeg zo'n flitser, door de regelbaarheid en stabiliteit van de lichtopbrengst
de naam "computerflitser".
Het onderscheid tussen een normale en een "computer" geregelde flitser
zit 'm erin dat bij de eerste de condensator leeggeflitst wordt en
in het tweede geval wordt de stroom van de condensator naar de flitsbuis
(de xenonlamp) afgeknepen bij voldoende lichtopbrengst.
De kenmerkende onderdelen van een electronenflitser zijn dus.
Enerzijds het voor de lichtopbrengst noodzakelijke spanningsomvormende (en -opspag) deel
en anderzijds het stroomregelende deel.
Door de voorschrijdende electronica in de camera's is er daarnaast
nog een "camera sturend" deel bijgekomen. 
Dit laatste regelt de juiste sluitertijd en diafragma voor U.
Dit type flitser wordt aangeduid met "dedicated" hetgeen staat voor de toewijding
die deze apparaten aan de dag leggen voor het model en merk camera.

Voor de werking van de "computer in die flitser" wordt er tegenwoordig
meestal gebruik gemaakt van een "belichtingsoogje" in de camera zelf,
zodat de belichting geregeld wordt door
de hoeveelhied licht die tot achter het objectief komt.
(Trough The Lens ofwel TTL techniek)
Hierdoor wordt bij de uiteindelijke belichting dus uitgegaan van dezelfde factoren
als bij een niet met "hulplicht" verkregen opname en dat levert
wel zo mooie reusltaten natuurlijk.

De sturende elektronica van de camera speelt de belangrijkste rol.


Waarschuwing

Zoals ik hierboven uitgelegd heb komen er hoge spanningen voor in de electronenflitser.
Weliswaar levert een batterijtje maar z'n anderhalve Volt en
dat simpelweg bijelkaar opgeteld kan nooit veel zijn,
maar let op er is verderop in het proces wel degelijk sprake van hoogspanning.
Voor het ontsteken van een Xenonbuisje is namelijk
tenminste 190 a 220 Volt nodig.
Daarbij komt dat de opgebrachte lichthoeveelheid evenredig is met
de capaciteit, dus de mogelijkheid om stroom te leveren, van de condensator.
We willen zoveel mogelijk licht, dus reken maar uit dat U
nooit het huisje van een flitser open moet maken
tenzij U van verassingen houdt!
(zo'n condensator kan namelijk "flink bijten",
dus die moet eerst even op deskundige wijze leeggebloed
worden om schade aan lijf en leden te voorkomen)

Notities

Ook bij een kleine flitser moet bovenstaande hoge spanning (meer dan 200Volt)
worden opgewekt uit de batterijtjes. De stroom die hierbij gaat lopen is,
voor de meeste typen batterijen, aanzienlijk en levert daardoor warmte op.
Omdat er geen lekvrije (hooguit "lekarme") batterijen bestaan,
loopt U het risico dat deze batterijen zuur gaan lekken.
Dit zuur is erg agressief en tast niet alleen de kontakten aan,
maar zal ook op de bedrading en het printje
zijn uitwerking niet missen.

Vervang om deze reden Uw batterijen regelmatig en
haal ze uit Uw apparatuur als U deze enige tijd niet denkt te gaan gebruiken.


Flitsen en digitale fotografie

Bij het gebruik van de digitale techniek werken we niet meer met
een vaste gevoeligheid van het materiaal zoals bij film (zie emulsie),
maar maken we gebruik van een sensor. Deze heeft altijd dezelfde gevoeligheid (zie digitaal) en
doordat dit signaal elektronisch wordt versterkt is het resultaat
eigenlijk heel eenvoudig aan te passen. Kort gesteld: hoe meer je het signaal versterkt,
hoe meer infomatie er wordt "gezien".
Als we dus met maar weinig licht kunnen werken levert dit het voordeel op
dat we door eenvoudig de versterker van de sensor "harder te zetten"
er meer mee kunnen opnemen.
Ik laat hier even begrippen als witbalans en beeldruis buiten beschouwing
voor de eenvoud. (zie bij digitaal)

Overigens kan dit bijstellen van het uiteindelijk resultaat op twee manieren.
We kunnen de camera wijsmaken dat ie plotseling gevoeliger
is geworden, dus een hogere ASA waarde moet gebruiken of
we bewerken later de foto tot die er naar onze verlangens uitziet.
Welke methode het beste werkt is afhankelijk van de
omstandigheden of toegepaste soft-ware, maar een hogere ASA waarde
kan versterkingsruis opleveren in het origineel en een latere bewerking
 geeft vaak aanleiding tot informatie verlies.
Aan U de keuze en enig "onderzoek vooraf" lijkt me dus noodzakelijk.





Ik heb geprobeerd hieronder wat veelvoorkomende vragen weer te geven. Misschien ziet U
bij het doorlezen die van U er niet bij staan. Gaat daarvoor dan naar mijn E-mail pagina
en stel 'm daar gerust. Ik beantwoord ze niet meteen, soms is het even zoeken,
maar wel altijd.

Veelgestelde vragen (Faq's)
Ik heb overigens geprobeerd om bij het antwoord op de vragen nog wat verder op de techniek
en theorie in te gaan.

Mijn flitser lijkt het te doen, maar soms niet!

Even voor de domme lezer: als U een foto maakt met Uw spiegelreflexcamera,
dan staat gedurende de belichting (zeg 1/60e 1/125e seconde),
dus ook tijdens het afgaan van de flitser (zeg 1/5000e seconde midden in de belichting),
de spiegel omhoog en daarom ziet U dus niet wat er gebeurd.

Kontroleert U eerst of Uw flitser wel oplaadt.
Dit doet U door 'm in te schakelen en te luisteren of U een pieptoon hoort. 
Deze pieptoon wordt veroorzaakt door de oscillator die
de lage gelijkspanning van de batterijen omzet in de voor
het optransformeren benodigde wisselspanning. 
De toon zal, naarmate de condensator voller geladen wordt,
in hoogte afnemen. Na verloop van tijd hoort het "ready"-lampje aan te gaan.
Een veelvoorkomend probleem bij niet vaak gebruikte apparatuur
is rust. Als Uw flitser een tijd niet is gebruikt, dan kan het nodig zijn de elco te "formeren".
Theoreties: het isolerende laagje (het di-electricum) tussen de 2 (+ en -) electrodenfims
is verlopen (uitgedroogd) en hierdoor is de capaciteit om de spanning op te slaan
(te onthouden) van de elco teruggelopen.

Prakties: door de flitser een tijdlang flink door te laten laden
en deze dan te laten leegflitsen met de testknop en afgedekt copmputeroogje
zal de elco zich omdat ie dan telkens geheel leeggemaakt en weer helemaal
opnieuw gevuld wordt
formeren. 
Dit overigens nadat deze procedure een aantal keren (zeg 15x) is herhaald. 

Een onregelmatige werking van Uw flitser kan duiden op vieze kontakten (zie boven),
laat deze eventueel schoonmaken. Of doe dit met een kraspen zelf.
(deze pennen zijn te koop in autozaken om beschadigde lak bij te werken. Ze bestaan uit
een bundeltje glasvezels waarmee zo'n krasje kan worden gepolijst)

Als Uw flitser normaal oplaadt en alles ziet er brandschoon uit,
dan zou het uitblijven van de test flits kunnen duiden
op een lekke xenonbuis. Deze dient dan te worden vervangen. (zie de Waarschuwing!)

Mijn camera heeft een ingebouwde flitser en geeft te weinig licht!

Voor normaal gebruik en als invulflitsertje zal de ingebouwde flitser genoeg licht geven,
maar als U
bijvoorbeeld onder heel donkere omstandigheden,
of gebruik ban een langer objectief,
meer licht wil hebben zal U gebruik moeten maken van "hulp" flitser(s).
Kunt U het ingebouwde exemplaar uitschakelen en heeft U een flitsaansluiting
(voetje) op Uw camera dan is er geen vuiltje aan de lucht.
Let U er wel op dat U een hulpflitser gebruikt die de
AF-funktie van de camera ondersteunt. (bij gebruik bovenop de camera)
Heeft Uw camera deze aansluitingen niet,
dan zult U gebruik moeten maken van een "flitsslaaf".
Dit is een schakelingetje die reageert op een snelle verandering
in het licht
(zoals het afgaan van uw kleine flitser)
door een schakelaartje (eigenlijk een elektronische schakeling) te sluiten.
Precies het signaal dat U nodig heeft om Uw hulpflitser(s) te ontsteken!

Gaat U meer flitsers tegelijkertijd gebruiken, dan dient U
er rekening mee te houden dat U het in totaal opgebrachte licht
als samenspel zult moeten meten. Dit doet U het beste
met een flitsmeter.
De lichtopbrengst van de samenwerkende apparaten moet
U namelijk weten om het juiste diafragma te kunnen instellen.
Veelal zal een TTL (Through The Lens) flitsregeling
bij gebruik van meerdere flitsers niet werken,
dus maak eerst een aantal (kontrole) opnamen.
N.B. U kunt niet ongestraft meerdere flitsers met een meerstekker plug
aan elkaar koppelen. Helaas zitten namelijk niet alle plussen aan de plus (+)
en de minnen aan de min (-). Dat levert dus eventueel kortsluitng op,
maar altijd een onvoorspelbaar resultaat.

Volgens mij geeft mijn flitser niet genoeg licht.

Als Uw foto's te donker zijn bij gebruik van de flitser, kontroleer dan of U
de juiste instellingen heeft gemaakt.

Heeft U het goede werkdiafragma (de "computer"-stand)
overgebracht op het objectief of de automaische instelling van de camera?

Klopt de ingestelde ASA waarde met de film in de camera?

Als U alles goed heeft ingesteld blijft de mogelijkheid over
dat de lichtopbrengst is teruggelopen. Dat kan duiden op het afnemen van de
elco-waarde of op slijtage van de flitsbuis.
Als ook het formeren van de elco niet meer helpt
is de remedie eigenlijk simpel, maar wel triest.
Alleen het vervangen van de flitsbuis en
soms ook de elco (eigenlijk dus het gehele apparaat) bieden hier namelijk soelaas.

De randen van mijn flitsfoto's zijn donker.

Hierbij is de oplossing zowel voor de hand liggend als eenvoudig.
Het objectief dat U gebruikt heeft een grotere beeldhoek dan
de reflector van de flitser kan uitlichten.
Er zijn hiervoor "groothoek" diffusors te koop.
Let hierbij echter op, het licht wordt zodanig verstrooid dat
vanzelfsprekend de totale lichtopbrengst wordt verminderd.

Truuk: een wit koffiefilterzakje om de flitskop.
(daarom door mij meestal een "flitserzakje" genoemd)

Waar komen "rode ogen" vandaan?
En hoe kom ik er vanaf!

De beruchte rode ogen op flitsfoto's worden veroorzaakt door
een reflectie van het flitslicht in de ogen van ons onderwerp. Bij mensen
resulteert dit in rode ogen, terwijl ditzelfde verschijnsel bij honden en katten
vaak witte of groenige ogen op de foto veroorzaakt.
Doordat de flitser zich vlakbij ons objectief bevindt is
de hoek tussen de lichtbron en de "lens" te klein.
Bijkomende faktor is dat we meestal in het duister aan het flitsen zijn en
dat de pupil (het diafragma van de ogen) dan wijd open staat.

Er is in loop der tijd nogal eens nagedacht om een oplossing voor dit probleem te vinden,
maar echt afdoende is het alleen maar om die hoek tussen de flitser en
het objectief groter te maken.
We zullen dus onze flitser verder van de "lens" moeten houden!
Dat dit nou net bij heel veel modellen onmogelijk is
(ik bedoel hier de compactcamera's met ingebouwd flitsertje) lijkt me duidelijk,
maar het is echt de enige afdoende oplossing.
Er is weleens gedacht aan voorflitsjes en andere "systemen" om de pupil te verkleinen,
maar deze leiden meestal het onderwep zodanig af
dat dit de spontaniteit van de opname grotendeels teniet doet.

Wat is het bereik van een flitser?

Om het bereik van een flitser aan te geven, wordt gebruik gemaakt van het "richtgetal".
Dit is trouwens de waarde die vaak in de
"type" aanduiding van de flitser wordt gebruikt.


In de regel wordt het in te stellen diafragma, bij gebruik van 100 ASA op 1 meter, genomen.
Vaak "smokkelend" afgerond naar de, er het dichtst erboven, gelegen diafragmagetal.
Immers een hoog richtgetal duidt op een hoop licht en
niet alleen als daaraan een gebrek is dan wil
de fotograaf er zoveel mogelijk van hebben.
Reken met behulp van het rekentabelletje, dat altijd op
de flitser is aangebracht, uit welke diafragmawaarde U bij
de door U ingestelde afstand moet gebruiken.

Over het algemeen zijn flitser fabrikanten "optimisties" over het
afstands bereik van hun apparaten!
Een natuurkundige wet is: alle licht neemt kwadratisch af
met de afstand
. (dus 2x zo veraf is 1/4e van het licht)
Daarom is het echt ongeloofwaardig dat U met een eenvoudige flitser Uw
onderwerp wel tot zo'n 8 meter zou kunnen uitlichten. Het licht komt op zichzelf
misschien wel zo "ver", maar of U er dan nog iets aan heeft voor
Uw foto is de vraag.

Batterijen of Accu's?
Allereerst zult U de gebruiksaanwijzing van Uw apparaat
moeten consulteren of deze geschikt is voor gebruik van accu's.
Meestal wordt dit met een stickertje in het
batterijhuisje aangegeven (no NiCad's) als het onmogelijk is.

Er is aan de batterijpolen een lage spanning aanwezig, deze moet
omgezet worden in de benodigde hoogspanning van tenminste 180 Volt.
De oscillator (het "piepen") in Uw flitser zet deze lage spanning om en
zal zo snel mogelijk de aanwezige condensator willen laden.
Er zal dus een hoge stroom gaan lopen en
het hangt van het ontwerp van Uw flitser af of
het transformatortje en de oscillatortransistor(en)
deze stroom kunnen verwerken.

Nikkel Cadmium accu's (NiCad's) kunnen een
veel hogere stroom (in Amperes) leveren dan batterijen,
maar ze kunnen weer niet een even grote spanning (in Volt) kwijt
bij hetzelfde volume. Daarnaast kennen de accu's een tamelijk grote zelfontlading,
dus zult U ze vlak voor gebruik moeten opladen
(niet bijladen! ivm."geheugen effect").

Met het invoeren van Nikkel Metaalhybride (NiMH's) is
dit effect gelukkig grotendeels opgelost. Deze accu's
kunnen namelijk bijgeladen worden en kennen
nauwelijks zo'n geheugeneffect.

Het verbruik aan batterijen/accu's van Uw flitser is afhankelijk
van het aantal keren dat deze volledig wordt opgeladen. Moet Uw flitser
vaak aanstaan en veel licht opbrengen (de condensator zal dan leeggeflitst worden),
dan is het stroomverbruik tamelijk hoog en
ligt de keuze voor accu's voor de hand.
Gebruikt U liever kleine invulflitsjes of bij voorkeur zelfs geen flitster,
dan kunt U beter vertrouwen op een stabiele stroomvoorziening.
Omdat batterijen veel langer meegaan zonder hun spanning te verliezen is
in dit geval de keuze snel gemaakt.

Een setje reservebatterijen in Uw tas is trouwens sowieso een goede gewoonte.

Uit milieu oogpunt is de keuze voor batterijen (in een milieuvriendelijke uitvoering)
te preferen boven accu's, omdat deze laatsten bij zulk
intensief gebruik maar een beperkte levensduur hebben en
ondanks de aanduiding dat ze "schoon" zijn
toch meerdere kwalijke stoffen bevatten.

Slotnoot: gooi batterijen noch accu's zomaar bij het afval!

Terug naar het begin of Kontakt maken via e-mail